Een scherpe kwestie? Tandknippen bij biggen uitgelegd.
Auteurs: Charlotte Vanden Hole1, Anneleen Watteyn1, Elise Bernaerdt2, Sarah De Smet2
1 Wetenschappelijk Referentiecentrum Dierenwelzijn van Landbouwhuisdieren, ILVO
2 Varkensloket, ILVO
Opdrachtgever: Dierenwelzijn Vlaanderen, Departement Omgeving, Vlaamse Overheid
In veel varkensbedrijven blijft het knippen van tanden bij pasgeboren biggen een terugkerende praktijk, ondanks toenemende aandacht voor dierenwelzijn en strengere wettelijke beperkingen. De ingreep wordt traditioneel toegepast om verwondingen aan zeugen en toomgenoten te beperken, maar staat tegelijk bekend om de mogelijke nadelen en risico’s voor het welzijn van de biggen. In dit artikel zetten we uiteen wat tandknippen precies inhoudt, welke risico’s en juridische voorwaarden eraan verbonden zijn, en vooral hoe preventief management kan helpen om de noodzaak ervan tot een minimum te beperken.
Wat is tandknippen en waarom wordt het gedaan?
Pasgeboren biggen beschikken over acht scherpe naaldtanden (de hoektanden en derde snijtanden in boven- en onderkaak). Deze tanden kunnen problemen veroorzaken bij zowel de zeug als nestgenoten. Bij de zeug gaat dit over wondjes aan de tepels waardoor ze onrustig wordt of de melkproductie bemoeilijkt. Bij toomgenoten spreken we over mogelijke verwondingen (veelal aan de kop) door bijtgedrag en competitie. Een te grote toomgrootte en/of onvoldoende melkproductie door de zeug (bv. te jong of oud, mastitis) ligt hier vaak aan de basis. Deze letsels verhogen bovendien het risico op infecties.
Tandknippen of -vijlen is in essentie een maatregel om die letsels te voorkomen. Het wordt meestal uitgevoerd in de eerste drie levensdagen van de big, wanneer de tanden nog relatief klein en kwetsbaar zijn. Het doel is enkel de scherpe punt af te ronden zodat er minder schade kan ontstaan. Bij vijlen wordt er een elektrische tandenslijper gebruikt, met een ronddraaiende slijpschijf of een draaipunt (‘grinder’). Ook tandknippen (met kniptang) wordt uitgevoerd, wat meer invasief is en de kans op pijn en schade groter maakt. Hoewel het doel bij zowel vijlen als knippen is om enkel de scherpte van de tand weg te nemen door maximaal het bovenste 1/3e van de tand te vijlen of knippen, is dit in de praktijk niet zo gemakkelijk. Tanden kunnen zeer variabel zijn in lengte, waardoor – onbedoeld – de tandholte (dentale pulp met bloedvaten en zenuwen) aangetast kan worden.
Risico’s van de ingreep
Hoewel de ingreep in sommige gevallen voordelen kan hebben, zijn er belangrijke nadelen aan verbonden, dewelke voor stress en pijn bij de biggen kunnen zorgen. Eerst en vooral ervaren de biggen veelal ongemak en stress bij het vangen, vasthouden en bij het bewerken van de tanden. Naast stress is er ook een groot risico op letsel en pijn: bij te diep slijpen of knippen kunnen tandwortels of tandvlees beschadigd raken (acute pijn), soms met ontstekingen of abcessen tot gevolg (pijn op langere termijn).
De stress en pijn die het proces met zich meebrengt kan afgeleid worden uit ontsnappingsgedrag en stressvocalisaties van de biggen tijdens de procedure. Onderzoek toonde ook aan dat de biggen na de procedure minder actief waren, wat een indicator van verminderd welzijn kan zijn. Ook het herhaaldelijk openen en sluiten van de kaken, m.a.w. een kauwbeweging zonder voedsel, wordt vaker gezien na zo een ingreep en kan een indicator van pijn zijn.
Wat zegt de wetgeving?
Het KB 17.05.2001 betreffende de toegestane ingrepen bij gewervelde dieren, met het oog op het nutsgebruik van de dieren of op de beperking van de voortplanting van de diersoort, het KB 15.05.03 betreffende de bescherming van varkens in varkenshouderijen en de Europese richtlijn 2008/120/EG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens, stellen dat het verkleinen van de tanden niet routinematig mag worden uitgevoerd. Het is enkel toegelaten als er duidelijke letsels aanwezig zijn (spenen/uier van zeug, oren of kop van biggen) én als andere managementmaatregelen (zoals voederoptimalisatie, biestmanagement, verrijking, lagere varkensdichtheid) onvoldoende resultaat bieden. Het is met andere woorden enkel toegestaan als uitzondering en moet worden uitgevoerd door voldoende bekwame en ervaren personen. Daarnaast dient het ook te gebeuren binnen de eerste 7 dagen na de geboorte.
Preventie
De beste aanpak blijft het vermijden van de noodzaak tot tandknippen. Hieronder enkele maatregelen die toegepast kunnen worden ter preventie.
1. Aanpassing management rond werpen
- Zorg voor een rustige omgeving zodat de stress van de zeug vermindert (rustige kraamstal, stabiel klimaat). Want meer stress betekent minder melkafgifte waardoor biggen harder moeten zuigen en er meer kans op speenbeschadiging ontstaat.
- Zorg voor een goed biestmanagement. Alle biggen moeten kort na de geboorte voldoende biest opgenomen hebben, zodat ze voldoende vitaal en verzadigd zijn. Biggen zouden minimaal 160 tot 260 gram biest per kilogram lichaamsgewicht moeten opnemen.
- Controleer tijdens de eerste levensdagen dagelijks de uier en de biggen op letsels (rode, beschadigde of bloedende spenen; krab- of bijtwonden op kop of oren).
- Controleer regelmatig de melkproductie van de zeug en observeer het drinkgedrag van de biggen, omdat pijn bij de zeug onrust kan veroorzaken.
- Zorg dat elke big een functionele speen ter beschikking heeft. Pas indien nodig de verlegstrategie toe waarbij de big eerst de kans heeft gehad om biest van de eigen moederzeug op te nemen.
- Ook split suckling kan een uitweg zijn, waarbij enkele biggen die al goed gedronken hebben afgezonderd worden zodat kleine, zwakkere biggen kunnen drinken. Na enkele uren plaats je de afgezonderde biggen terug bij de moeder en zonder je een ander groepje biggen af. Let er steeds op dat de afgezonderde biggen niet afkoelen. Op deze manier krijgen alle biggen de beste kans om te zuigen.
- Verleg zo nodig agressieve biggen.
2. Omgevings- en hokfactoren
- Zorg voor een warme omgeving voor de biggen (35 °C in biggennest). Koude biggen kruipen terug naar de zeug en zuigen langdurig wat irritatie aan de spenen kan veroorzaken.
- Zorg voor voldoende ruimte aan de uier.
- Zorg voor voldoende bodembedekking en speelmateriaal voor de biggen. Biggen die zich vervelen kunnen meer op tepels gaan knabbelen.
- In vrijloopkraamhokken heeft de zeug meer kans om zich te verwijderen van vechtende biggen en loopt ze zo minder schade op.
3. Voeding van zeug en biggen
- Zorg voor een geoptimaliseerd voeder (energie en eiwit!) en voldoende water voor de zeug. Zo is de zeug in topvorm, wat ideaal is voor een goede melkproductie.
- Bijvoederen van de biggen door bijvoorbeeld melkpapjes of snoepvoeder kunnen competitie verminderen. Dit zorgt er ook voor dat biggen minder afhankelijk zijn van de uier.
5. Zorg voor de zeug
- Houd uier en spenen schoon en droog.
- Verminder irritatie en infectierisico en controleer regelmatig op zwellingen en uierontsteking (mastitis). Beschermende zalven kunnen een uitweg bieden (zinkzalf, vaseline, milde uierzalf).
- Kijk naar de reactie van de zeug bij het zogen. Wanneer de zeug duidelijk pijn ervaart zal ze de biggen minder laten drinken, waardoor de biggen juist agressiever en harder gaan zuigen.
Wat als tandknippen toch noodzakelijk blijkt?
Wanneer tandknippen toch noodzakelijk is, zijn er een aantal aandachtspunten om de ingreep zo diervriendelijk en veilig mogelijk te laten verlopen:
- Leeftijd: voer de ingreep zo vroeg mogelijk uit, idealiter binnen de eerste drie levensdagen (wettelijk mag het tot 7 dagen). Maar zorg er voor dat de biggen eerst de nodige biest hebben opgenomen.
- Materiaal: gebruik enkel goed onderhouden en ontsmet gereedschap. Elektrische slijptoestellen met geschikte slijpsteen worden vaak verkozen boven kniptangen, omdat deze minder risico geven op splijten of barsten van de tand.
- Techniek:
- Vijl enkel de scherpe punt af, verwijder maximaal een derde van de tandlengte.
- Werk snel maar zorgvuldig, vermijd oververhitting van de tand bij elektrisch slijpen.
- Knippen wordt afgeraden tenzij met een goed scherp en ontsmet instrument.
- Personeel: enkel ervaren en opgeleide personen mogen de ingreep uitvoeren. Onjuiste technieken vergroten de kans op complicaties aanzienlijk.
- Nazorg: controleer regelmatig de mondholte van de biggen in de dagen na de ingreep. Let op tekenen van zwelling, bloeding of ontsteking. Controleer ook de tepels van de zeug en het gedrag in het nest.

Conclusie
Tandknippen is wettelijk enkel toegestaan als reactieve maatregel bij vastgestelde letsels, na onvoldoende effect van andere ingrepen, en binnen de eerste levensweek, waarbij goede observatie in de kraamstal cruciaal is om de noodzaak te onderbouwen. Indien het toch noodzakelijk blijkt, moet het correct, hygiënisch en diervriendelijk gebeuren door bekwaam personeel, met duidelijke nazorg.
Nog vragen? Stuur een mailtje naar refwel@ilvo.vlaanderen.be, we staan paraat om dit biggetje voor je te wassen!